|
Verhalen opgeschreven door Dhr. K Visser Jz. |
|
| De haringvangst in Oosterleek Oosterleek De ijsbaan van Oosterleek Oosterleek(2) Oosterleek(3) Oosterleek(4) Oosterleek(5) Oosterleek(Kermis) Culturele leven in Oosterleek Oosterleek 't schooltje Oosterleek 't schooltje(2) Oosterleek(6) |
|
| De haringvangst in Oosterleek Toen de Zuiderzee nog niet afgesloten was kwam er elk voorjaar enorm veel haring de zee binnen zwemmen om voor de voortplanting te zorgen. Het echtpaar De Vries en hun knecht Bertus kwamen dan in Oosterleek op de haringvangst. Zij woonden in Zurich, een dorpje gelegen aan de zeedijk in Friesland. De Vries bezat, in Oosterleek een houten woning aan het einde van de rij huizen die onder aan de dijk stonden. Piet Kuiper uit het gezin van Jan Kuiper kwam dan ook als knecht in dienst en soms hielp Jacob Visser uit Marken ook wel eens. Er werd een steiger op de keien gebouwd. De haringfuiken, die veel groter waren dan de tegenwoordige paling- en baarsfuiken, werden een eindje uit de kust in de zee geplaatst. Er werd gevist met twee grote houten schuiten, waarbij een vaarboom werd gebruikt. Na gedane arbeid werden de schuiten bij gebrek aan een haven in de zee elk aan een paal gebonden en roeide men met een kleiner bootje naar de dijk en werd het op de keien gehesen. Als het mooi en rustig weer was werd er zoveel haring gevangen dat degene die het niet gezien heeft dat zich niet kan voorstellen. Het was dan een druk verkeer van Volendammer Ford-vrachtwagens die de vis kwamen opkopen. De haring werd per tal verkocht. Een tal was 200 stuks. Een grote mand werd tot een bepaalde hoogte volgeschept en dat was dan zoveel tal. Door twee mannen werd de mand naar boven gedragen en los in de vrachtwagen gestort. Op de zee voeren vele botters met sleepnetten. Als we tussen de botters er een ontdekten met de Nederlandse vlag in top, dan betekende dat dat het een opkoper was en konden de vissers bij genoemd schip de haring verkopen. Sommige inwoners van onze gemeente gingen ook wel met haring venten. De meeste inwoners aten in die periode wel gebakken haring en sommigen waren ook de haring aan het roken tot ze in een bokking veranderden. Als de periode voorbij was gingen de fuiken weer in de woning van De Vries zo ging het elk jaar tot de Zuiderzee werd afgesloten. Naar boven OOSTERLEEK Men kan zich niet voorstellen hoe wij vroeger moesten leven zonder leidingwater. Elk huis had vroeger een flinke regenwaterbak naast de woning. In de keuken was de waterpomp daarmee verbonden. Bij een droge zomer moesten wij dan heel zuinig met het water omgaan. De dakgoten waren niet altijd even schoon en velen hadden een filter. Halfweg de filter was een stenen plaat aangebracht met hele kleine gaatjes. Daarboven lag een laagje beenderkool en zo werden de ongerechtigheden opgevangen. In de meeste koestallen was halfweg een waterpomp. Daar was in de grond een waterwel aangeboord, zodat het grondwater naar boven werd gepompt. Dit bleef zo, tot de waterleiding werd aangelegd. Elke dag liepen we naar school langs de sleuvengravers. Er werkten ook vier mannen uit Noord Brabant bij de aanleg van de leiding en ze woonden in het achterste gedeelte van het molenhuis en ze kookten zelf hun potje. In het voorste gedeelte woonde ik met mijn ouders en broers. Thans woont daar L. Groenhof. Als er weer een sleuf was gegraven, waren de Oosterlekers Jan Groot en Aart Schouten de buizenleggers. Aart Schouten woonde met zijn gezin in een woning die naast het huis van Meta Rijnhout en Jan Slachter stond. Deze kleine woning is later gesloopt. Jan Groot woonde met zijn gezin onder aan de dijk waar de familie Joh. Swier vele jaren heeft gewoond. Één van de vier Brabanders was de loodgieter. Als de buizen waren gelegd, stopte hij vlas in de kraag van de buis en vervolgens brulde hij om lood. Jan Leyen uit het Zuideinde van Wijdenes, waar thans R. Krijgsman woont, was de loodsmelter. Hij moest de vuurketel warm houden om de staven lood te smelten. Na de oproep ging Jan met de lange ijzeren lepel met kokend lood naar de sleuf en reikte deze over aan de Brabander, die het vloeibare lood om de kraag goot. Nu was er in diezelfde periode Kermis en en bij café De Stofmolen van Huus Groot. Tijdens de kermissen in onze gemeente waren er altijd 2 politiemensen die de orde moesten bewaren. Zij waren gewapend met een sabel op de heup en een gummistok. De Brabanders hadden een keer niet zo'n mooie ontmoeting gehad met een politie uit Westerblokker. Het toeval wilde dat deze politieman met onze plaatselijke politieman de orde moest bewaren op de kermis. De Brabanders begonnen de politiemannen te sarren en er ontstond zo'n vreselijke vechtpartij in het café, als er nog nooit eerder was voorgekomen. De gehele zaal begon te vechten en de politie uit Westerblokker vluchtte naar Zolder, van onze plaatselijke politie werd de sabel gebroken. Het resultaat was één grote ravage van kapotte bierglazen. Het werd later nog een rechtzaak en ik kan mij nog herinneren dat er boven het verslag in de krant stond: Het was de veldwachter die de klappen kreeg. Naar boven DE IJSBAAN IN OOSTERLEEK Achter de percelen van Henk Alberstma en M.Y.Rossum ligt de Weedersloot. Bij strenge vorst had Oosterleek daar een prachtige ijsbaan met links en rechts verkeer en in het midden de palen voor de elektrische verlichting. In de middag en avond was het daar heel gezellig. Onze onderwijzer M.v.d.Kuur was een Fries van geboorte, dat betekende dus dat hij een schaatsliefhebber was. Wij kregen dan ook vaak ijsvrij 's middags. De ijsclub had een actief bestuur dat de baan goed verzorgde. Andries Smit woonde met echtgenote onder aan de kluft, waar thans J. Heerooms woonachtig is. Andries was een prima penningmeester. Als je geen lid was van de ijsclub moest je eerst betalen, anders kwam je niet aan het rijden toe. Hans Albertsma stond er met zijn koek en zopie tent. Er was veel ijspret, o.a. gekostumeerde wedstrijden. Ook werden door de jonge mannen hardrijwedstrijden gehouden. De prijzen bestonden dan uit bonen, erwten, spek, enz. De prijzen werden daarna verdeeld onder de armste inwoners van Oosterleek. De Zuiderzee was niet snel toegevroren door het zoute water. Maar als het ijs houdbaar was gingen wij daar ook wel rijden. Daar bestond de eb en vloed nog dus het water onder het ijs was altijd in beweging en je moest uitkijken omdat er soms kilometers lange scheuren waren van 30 à 40 cm breed, waar je overheen moest springen. Zulke sneeuwstormen als in de veertiger jaren hebben wij nooit meegemaakt. Maar als wij niet konden schaatsen en er lag sneeuw, namen wij wel de slee mee naar school om na schooltijd ons naar beneden te laten glijden bij de dijk. Als de dooi inviel begon het ijs vaak te kruien. Tussen de kluft en de vuurtoren welke wij het vuurtje noemden kwam het ijs een keer op de dijk geschoven. Bij het vuurtje lagen soms bergen ijs,maar niet tegen het hekwerk geschoven. Tegen de kracht van het kruiend ijs is niet veel bestand. Daarom heeft de voortoren van Marken bijzonder dikke muren omdat die veel belaagd wordt door het kruiend ijs. Naar boven OOSTERLEEK (2) In 1923 werd de dijk tussen 't Wuiver en Schellinkhout verhoogd. Het was nog het stoomtijdperk. Daarom trok een stoomlocomotief de kiepwagens met klei vanuit de kleiput bij de Nek, waar wij nu de meeuwenkolonie aan hebben te danken. Op de dijk stonden rode paaltjes op een afstand van honderd meter. Op genoemde afstand konden de veehouders één of meerdere paaltjes pachten, bestemd voor de hooioogst. Ook waren er tuinbouwers die alleen in de wintermaanden koeien op de stal hadden. Dat werden opzetters genoemd. In veel oudere huizen zonder stolp vindt men nog de koestal die vroeger voor het vee werd gebruikt en thans weggetimmerd is en waarvoor in de plaats slaapkamers kwamen. De kleine veehouders lieten vaak de dijk maaien. De grotere veehouders hadden geen behoefte aan het dijkhooi, om reden dat zij genoeg grasland hadden. Mijn grootvader Klaas Ham heeft in de vorige eeuw vele kilometers met de zeis gemaaid en ditzelfde gold in deze eeuw voor Hans Albertsma uit Oosterleek. Hans woonde in één van de huizen onder aan de dijk met zijn gezin. Het was zwaar werk, vanwege de schuinte van de dijk en de houding waarin dus gemaaid moest worden. Hans had een speciale linkerklomp aan zijn voet, om uitglijden te voorkomen. De veehouders moesten later het hooi op de dijk sjouwen wat een heel karwei was. Maar de kleine veehouders verdwenen en er bestond geen belangstelling meer voor het hooi. Toen de Zuiderzee nog bestond, mocht er geen vee grazen langs de binnenkant van de dijk, want die mocht niet vertrapt worden in verband met eventuele verzwakking en doorbraak bij springvloed en stormen. Inmiddels was de afsluitdijk voltooid en hield het IJsselmeer vrijwel dezelfde waterstand. Daarom plaatste het Hoogheemraadschap hekwerk langs de dijk en mocht het vee daar grazen. Als bij de grote veehouders het hooi in de stolp werd gebracht stond de wagen in de dars en werd de hooiberg steeds hoger. Er stond dan één man in het ontvangersgat. Die moest het hooi dat hij ontving van de man op de hooiwagen naar de derde man omhoog steken die in de nok stond. De veehouders P.K.Bakker en C.Molenaar uit Oosterleek hadden het beter bekeken. Als de hooiwagen in de dars stond was er een grijper die in het hooi werd geplaatst. Aan de grijper was een touw gebonden die langs het dak naar beneden, via een gat in de muur naar buiten kwam en verbonden was met het tuig van een paard. Daar stond een man die een seintje kreeg en dan trok het paard elke keer een hap hooi naar boven. Naar boven |
|
|
OOSTERLEEK (3) |
|
|
OOSTERLEEK(4) Voor de tweede wereldoorlog vlogen er bijna elke dag eenmotorige vliegtuigen in langzaam tempo langs de kust van de Zuiderzee. Het waren watervliegtuigen en ze stegen op uit de vlieghaven "De Mok" op Texel en daalden in het "Buiten IJ" te Amsterdam. Wij zagen ze dus langs de schoolramen vliegen. Soms waren het er 2 soms 4. . Maar op een zekere dag zagen wij er een dalen in de zee. De hele school was plotseling in rep en roer. Zo spoedig mogelijk, toen de school uit was, om half twaalf, gingen we met z'n allen rennen naar de vuurtoren en daar lag het vliegtuig in een kalme zee een eindje uit de kust voor anker. Maar het begon de twee militaire vliegeniers te vervelen en ze schoten een vuurpijl af. De communicatie was toen nog niet zo als tegenwoordig. De gebr.Mantel kregen toen een seintje en hebben met de vissersboot het vliegtuig naar de dijk gesleept. Het was de W 60 en de propeller bleek defect. De vliegeniers wilden de benen weleens strekken. Ze stonden op de dijk en spoedig daarna kwam het andere vliegtuig dat was doorgevlogen naar Amsterdam weer terug. We stonden met z'm allen naast de vliegeniers en zij schoten weer een vuurpijl af. Het vliegtuig daalde daarna op zee en men kwam kijken wat er voor moeilijkheden waren. Het was de W 62. Toen zij de mededeling kregen. wat er aan de hand was, vlogen ze naar Texel en een poosje later kwam de W 63 met een nieuwe propeller. De defecte propeller kreeg onze gemeentepolitie, de heer Zindel als geschenk. Koen Dekker heeft met zijn vrachtauto dit geschenk opgehaald. De propeller heeft vele jaren als souvenir boven de schuuringang van de heer Zindel gehangen. |
|
|
Schuin tegenover de Stofmolen stond vroeger een grote woning die de stijfselfabriek genoemd werd, omreden dat er vroeger waarschijnlijk stijfsel gemaakt werd, zoals in meerdere dorpen gebeurde o.a. in Hauwert. . . . .. . |
|
|
OOSTERLEEK (Kermis) |
|
|
Culturele leven in OOSTERLEEK We gaan nu even terug 'naar de vorige eeuw. Toen reeds, stond het culturele leven in Oosterleek hoog aangeschreven. Er was een toneelvereniging ADVENDO, hetgeen betekent: Aangenaam Door Vereniging En Nuttig Door Oefening. De oprichtingsdatum is niet bekend. Piet Balk was de grote stimulator en had een kist vol uniformen en andere kledij voor de spelers. Het toneel heeft zijn voor en tegenspoed gekend. Na de oorlog werd de vereniging opgeheven, maar spoedig werd de vereniging Rust Roest opgericht. Na een korte periode ging ook deze ter ziele en vervolgens werd het de vereniging De Tonelia's. In 1872 werd de vereniging Nut en Genoegen opgericht. Tijdens haar bestaan werden er prachtige culturele avonden gehouden. In het boek van P. Boon wordt vermeld dat er een zangvereniging rond 1870 bestond met de naam Polyhymnia onder leiding van meester D.Lust. Er bestond ook een sociëteit voor mannen, waar elke woensdagavond veel belangstelling voor was. Tevens kwam er een fanfarecorps Ons Genoegen. In het archief van het fanfarecorps Ons Genoegen te Wijdenes, bevindt zich het reglement van het corps te Oosterleek. K. Roemer kreeg dit aangeboden van de familie Balk. Hierin wordt vermeld dat op 1 november 1891 te Oosterleek een fanfarecorps is opgericht onder de zinspreuk Kunst na Arbeid, o.l.v. J. Balk. In november 1892 is deze naam veranderd in Macte Puer. Bij informatie bij de kleinzoon van de oprichter, de journalist J.Balk, bleek dat deze naam Zet 'm op, jongens betekent en is ontleend aan de Romeinse schrijver Virgilius, die van 70 tot 19 voor Christus leefde. Op de een of andere wijze is dat Macte Puer aan het einde van de vorige eeuw populair geweest. Het corps bestond uit 28 leden. Een van de hoogtepunten voor het corps was dat het werd uitgenodigd te komen spelen op 31 augustus 1894 te Amsterdam. Die manifestatie vond plaats op het Thorbeckeplein en werd georganiseerd door de Vereniging tot Verdeling van het Volksvermaak. Het corps speelde daar 4 muziekstukken. Er waren 6 corps en aanwezig. Hier volgen enkele gedeelten uit het reglement, dat uit 21 artikelen bestond.
In 1899 vond de opheffing plaats na een kortstondig bestaan van 8 jaar. |
|
| OOSTERLEEK ('t Schooltje) Hoe was het in en bij mijn school te Oosterleek in mijn periode. Er waren twee lokalen. In het eerste lokaal waren de eerste, tweede en derde klas onder leiding van juffrouw Taanman ondergebracht. In het tweede lokaal zaten de vierde tot en met zevende klas onder leiding van meneer Steggerda. Het speelterrein van de laagste drie klassen was het schoolplein en onder de kastanjebomen voor de kerk. De grotere jongens en meisjes speelden op de rijweg. De grensbepaling was daar vanaf de woning van mevrouw Dekker-Klaver tot en met het oprijpad van het café aan de westzijde. Uitgezonderd in de hoepeltijd. Dan mochten we ook gebruik maken van de kluft tot boven aan de dijk. We hadden vaak achtergrondmuziek waar we geen hinder van hadden. Niet van de radio, die bestond aanvankelijk nog niet, maar van de zaagmachine van de timmerman Jb Smak, die naast de school woonde. We wisten dus wanneer hij niet op karwei was ergens in het dorp. Het eerste schoolreisje dat ik meemaakte in de eerste klas in 1922, was dat we met paard. en wagen naar de Nadorst in Hoorn reden. Dit café lag aan de verkeersweg van. Hoorn naar Westerblokker, aan het einde van de Holenweg waar nu de spoorbomen zijn van de stoomtram Hoorn-Medemblik. De andere hoofdverkeersweg naar Enkhuizen was er toen nog niet. Achter het café lag een prachtige speeltuin en de stoomtram reed er vlak langs, dus maakten wij voor het eerst kennis met genoemd trammetje, dat gelukkig nog altijd bestaat. De volgende schoolreisjes waren later altijd met de bus van de ondernemers Kok en Meurs naar Bergen dan Zee, Schoorl, Artis, enz.. In 1923 vierde Koningin Wilhelmina haar 25 jarig regeringsjubileum. Het zou overal in ons land gevierd worden. In onze gemeente kwam men op het idee een grote optocht te houden met paard en wagens, die iets moesten uitbeeldden. Er werd in Oosterleek druk vergaderd en men kwam tot het besluit dat de school zich zou presenteren met een wagen die Sneeuwwitje en de Zeven Dwergen voorstelde. Grietje Dekker zou de rol van Sneeuwwitje vervullen en er moesten uit de drie lagere klassen 7 dwergen gekozen worden. Ik zat in spanning of ze ook mij zou kiezen en dat lukte inderdaad. Er werd een prachtig versierde wagen gemaakt en op een praalbed lag Sneeuwwitje geheel in het wit. Het bed was omhuld met glas. De zeven kabouters stonden rond het bed geschaard. Op korte afstand van het praalbed stond de koning in een prachtig paars kostuum. Het was Willem Molenaar. Zo reden wij van Oosterleek naar Wijdenes. In Wijdenes reden we voorbij het bullen huis, waar de familie De Jonge nu woont. Daar woonde Siemen Meurs. En ik hoor het Siemen nog zeggen: "dat moidje loit zeker te sleipe", oftewel in het Nederlands vertaald: dat meisje ligt zeker te slapen. Het was een onvergetelijke dag met een grote deelname van diverse wagens. Het was jammer dat er toen nog zo weinig fototoestellen waren. Wat beleefden we nog meer in het begin van de schoolperiode. Het fijnste wat je overkwam was te kunnen lezen. Tegenwoordig heeft men. een andere methode, maar wij leerden het met losse letters op een plankje. Wat de spelletjes op het plein betreft, waren er altijd bepaalde periodes die zomaar verschenen. O.a. de knikkertijd, tollen, sta-vasten (dan moest je iemand tikken die dan niet verder mocht lopen). Of het scheren, dan moesten een paar kinderen door een sliert kinderen zien te glippen. Of het petjeballen. Dan legde ieder zijn pet of muts tegen het. hek op een rij. Om de beurt rolde je een bal in iemand zijn hoofddeksel en die kreeg een steentje voor straf. Drie steentjes betekende dat je er uitgewipt werd tot er een kampioen overbleef. En dan had je nog de periode van de klepperhoutjes. Onze school moest eens de kleppermars spelen bij een festiviteit bij het gemeentehuis in Wijdenes. . Naar boven |
|
| OOSTERLEEK 't schooltje(2) Toen ik met mijn klas het lokaal van de schooljuffrouw ging verlaten kwamen we in het lokaal van de onderwijzer. Meester Steggerda was vertrokken en we kregen een nieuwe onderwijzer, M.v.d.Kuur. Deze onderwijzer kon niet zingen, dus moest juffrouw Taanman ons dat leren. Het werd een grote puinhoop, zij kon de orde niet handhaven en het zingen was spoedig afgelopen. Het tegenovergestelde gebeurde als we catechisatie hadden. Mevrouw D.v.Vliet was godsdienstonderwijzeres en woonde in Hoorn. Ze kwam elke dinsdagmorgen met de stoomtram naar de halte in Wijdenes en ging lopende naar de school aan de Kerkbuurt om les te geven. Daarna ging zij onder het middaguur lopend naar de school in Oosterleek. Het was altijd muisstil als zij aan het vertellen was. Alles wist zij uit het hoofd. Daarna ging ze weer lopend naar de halte aan de Lekerweg om met de stoomtram weer naar Hoorn te vertrekken. Wij hebben altijd veel respect voor haar gehad. Als we tot de zesde en zevende klas bevorderd waren, mochten we met schoolreisje samen met de twee hoogste klassen uit Wognum. Onze onderwijzer was een kennis van meester Krabbendam uit Wognum. Beiden volgden een tuinbouwcursus in Hoorn om als bijverdienste een avondschool te houden voor eventuele schoolverlaters die niet naar de tuinbouwschool in Hoorn gingen. We gingen met schoolreisje drie dagen naar Ede in Gelderland en namen daarvoor elke week een kwartje mee om te sparen voor de reis. Wat was er verder te beleven in Oosterleek. . Tussen de woningen van J.Kooi en G. Schermer stond vroeger een grote kippenschuur van de fokker Jan Dekker. Deze fokker woonde in het huis waar J. Kooi nu woont. In het begin van de schuur stonden de broedmachines en we mochten na schooltijd weleens een kijkje nemen door het glas. Het was een mooi gezicht als je de kuikens zag die uit het ei waren gekropen. We keken ook weleens bij de slager D. Wurkum, maar vonden het wel een luguber gezicht als hij bezig was. Zo maar was er een noodslachting als een dier plotseling gestorven was, en het vlees was goedgekeurd. Dan ging onze gemeentepolitie Zindel met de bel door het dorp omroepen dat er op een bepaald uur goedkoop vlees gekocht kon worden. De woning met slagerij is later ook gesloopt. We kwamen de meeste dagen P. Bakker tegen. In de volksmond was het Piet Adelaar en deze woonde met zijn gezin in het voorgedeelte van het dubbele woonhuis waar Jb Kuiper een hele periode heeft gewoond. Piet Adelaar was koster van de kerk en in de Sinterklaastijd ventte hij met speculaas, taaipoppen en pepernoten. Hij had een wagentje met een onderstel van een ouderwetse kinderwagen, dus het liep bijzonder licht. Zijn buurman Joh. Keulen woonde in het huis waar P. Schaap vele jaren heeft gewoond. Die had een paar koeien en ventte de melk in het dorp uit met een juk en twee emmers. Op elke emmer lag een houten beuntje, zodat er geen stof in kon waaien. Voorts werd er altijd gezwommen bij het begin van het buitendijkse land. Er waren nog geen badhokjes, maar wel een duikplank. Wim de Vries was de kampioen duiker. Met een aanloopje nam hij een zijwaartse sprong met een halve cirkel en dook in de zee. Naar boven |
|
| OOSTERLEEK(6) Voorheen kwam er weleens een grintschip aan bij de dijk van Oosterleek. Er werd dan een steiger gebouwd op de keien om het grint te lossen. Het was bestemd voor het rijgedeelte op de dijk. Het verschil was dat het hoogheemraadschap riviergrind op de dijk gebruikte in tegenstelling tot de wegen van Drechterland. Daar gebruikte men basaltbrokjes. De firma Oud uit Blokker voerde de brokjes aan met haar vrachtauto en loste deze op een bepaalde afstand in de berm van de weg. Jan Wurkum was de verzorger van de weg in onze gemeente. Hij woonde aan de Noorderuitweg in een kleine woning die inmiddels gesloopt is. Als het basalt bezorgd was, ging Jan met zijn kruiwagen dit op het rijgedeelde verdelen. Hij was zeer populair en welbespraakt en wij maakten altijd een praatje met hem als we naar school liepen. Als de weg bestrooid was vonden de paarden het een zwaar karwei omdat ze met de vrachtwagens met ijzeren banden de basaltbrokjes moesten verbrijzelen. Voor de fietsers was het ook heel moeilijk om te rijden en men moest in de berm fietsen omdat het paardestraatje in het midden van de weg vaak te ongelijk was. Traditiegetrouw kwam er ook elk jaar een tjalk van L. Booi uit Hoorn aan de dijk, volgeladen met turf uit Drenthe. Er werd weer een steiger gebouwd en daarna werd de turf met manden naar boven gesjouwd en in de wagen gestort. Een gedeelte ervan was voor de brood-en banketbakker P. Buis en een ander gedeelte voor de brandstoffenhandelaar J. Steen. Deze verkocht ook antraciet en cokes. Wat de cokes betreft, daar wordt bij de hoogovens door verhitting het gas uitgehaald en wat er overblijft is nog zeer goed bruikbaar voor verwarming. Tevens werden er eierkolen verkocht. Een rond stukje samengeperste brandstof die voor zeer goede verwarming zorgde. En dan de voor elk gezin onmisbare briket. Het ~as een flink stuk samengeperste brandstof die voor veel doeleinden werd gebruikt. De briket werd eerst in de brandende kachel gelegd. Als hij gloeide werd hij er weer met de tang uitgehaald en in het komfoor gebruikt. Een komfoor was een lage, ronde stenen pot waarin een laagje as lag. Daarin werd de gloeiende briket gelegd. .Vervolgens werd er op de pot een rooster gelegd en daarop werd de pan met etenswaren, die gekookt moesten worden gezet. Ook werd de briket gebruikt als men zelf ging brood bakken. Als de briket nog niet was opgebrand ging hij in de doofpot, waar ook een laagje as in lag, om dan later weer gebruikt te kunnen worden. Tevens werd de briket gebruikt om in de stoof te doen, zodat de voeten warm konden worden. Tijdens de kerkdiensten zorgde de koster van de kerk voor de stoven, voor de vrouwen die veel last hadden van koude voeten. De goedgesitueerde vrouwen, waarvan er niet veel waren in ons dorp, hadden een eigen stoof met in sierlijke krulletters hun naam erop. Het bovengedeelte was van marmer. Menig antiquair zou er nog graag zo eentje willen kopen. Naar boven |
|