Bron: Peter Gerritse, Henk Tol

In 1970:
Midden in het dorp, in een tussen perelaars, tuinkruiden en wingerd verstopt huis, sprak ik met de oudste bewoonster van Oosterleek, mevrouw Balk. Zij was toen 90.
Wat er in het kerkje gebeurde vond zij prachtig; katholiek en protestant samen, dat het zover met wereld had mogen komen. Maar de rest vond zij voornamelijk niks. Zij was de moeder van collega Jaap Balk van het Algemeen Handelsblad, die toen nog regelmatig zijn ouderlijk huis bezocht, omdat hij er verdroomde weekeinden kon doorbrengen.

Nu is het huis afgebroken en als erfstuk van onze plattelandsbouwkunst verkocht aan het Zuiderzeemuseum. Maar toen behoorden de naast elkaar tussen overdadig lommer gelegen huizen van de familie Balk tot de meest unieke bouwsels van heel de IJsselmeerkust. Sinds vele tientallen jaren was er niets, maar dan ook niets aan in-en exterieur veranderd, wat toch opmerkelijk is in een land waar elke meter grond al minstens twee keer op de schop is geweest.
Maar goed, de weduwe Balk vond dat het dorp lelijk was geworden. Ze zei: Al de boomgaarden zijn weg. De mensen lijken wel dol tegenwoordig. De "ien wil voor de aar” niet onderdoen. Allemaal moeten ze een bankstel hebben, een mooie televisie, grote ramen en vooral geen bomen. Hak maar om die bomen.' Ik vond haar een fascinerende oude vrouw, die tot op hoge leeftijd weerstand had weten te bieden aan de 'waan van de dag'. Het aanhoudende gewapper met bankbiljetten door grondspeculanten, die het huis en alle opstallen gaarne tegen een scherpe prijs wilden bemachtigen, bracht haar evenmin aan het wankelen.
Telkens als er weer zo'n patser in een Bul Super-BMW voorreed, sprak ze hem toe in plat-Westfries. 'Skeer je weg. Bloif van de wurgt. D'r wordt niks kocht. Het bloift as het is.' In haar ander huis, dat al al jaren onbewoond, maar volledig ingericht als een donker fantoom tussen het geboomte had staan pronken, werd ingebroken. Ze stalen blauwe bordjes, een haardplaat en nog veel meer.
Dat was in 1970. De meeste Oosterlekers hadden toen allang niet meer met de visvangst te maken en ook niet meer met de land- of tuinbouw. Nieuwkomers overstroomden zoals overal leder het streekje. Weinig dorpelingen werkten meer op het land. Ze liepen niet meer naar de watermolens bij Wijdenes om voor een kwartje wat haring te bemachtigen, maar met de jas aan voor het raam te wachten op de autobus die hen op vaste tijden gezwind naar de dampende zalen van de nieuwe werkverschaffers zou brengen: Duyvis, Bruynzeel, Hoogovens, de Amsterdamse haven. En de middenstand was allang dood. Alleen een VIVO-winkel hield de strijd vol. Wat nog herrinnerde aan de dagen van de 'Burgerhart' en de Marker-pofbroeken was eigenlijk alleen het kerkhofje.

Web

TonHos
Oosterleek

Sitemap

Sitemap

Blog

Nieuwe berichten:
Blog

Het Westfriese Langhuis (Hooihuisboerderij 'Balk')

Foto's 'Westfriese Langhuis'

Stacks Image 1231

Foto's van Het Westfriese Langhuis Boerderij 'Balk' - klik

Beschrijving 'Westfriese Langhuis'

Stacks Image 1234

Beschrijving van het 'Westfriese Langhuis' - klik

Boeken geschreven door Jaap Balk:

Stacks Image 108
Stacks Image 180
Stacks Image 122
Stacks Image 336
Stacks Image 1084
Het protest van de koster van de Ned. herv. kerk in Oosterleek (geschreven door Jaap Balk)
‘Neem een matje’, zei Jaap altijd wanneer ik het Armenhuis in Oosterleek binnenkwam. Op de ruit van de deur viel een sticker op van de Koninklijke Noord-Zuidhollandsche Reddings Maatschappij, Jaap Kuiper wist van varen. Bij een nukkige onweersbui in mei had hij op het IJsselmeer, zeilend in een klein vaartuigje zijn jongere broer Wim verloren. Hij zelf had er amper het leven van afgebracht. Wanneer we dan eenmaal zaten in de kleine woning kostte het geen moeite het gesprek te beginnen. Zo’n kapperspraatje over het weer... neen, dat was geen partij voor de ervaren prater die Jaap Kuiper was. Eerder kostte het moeite om met je boodschap voor de dag te komen en de conversatiestroom te onderbreken. Want Jaap had veel te vertellen en kon veel vertellen. Over zijn ervaringen in de wegenbouw, het wisselende leven bij kostbazen en kostvrouwen, het rooien van aardappelen of de drukte op de veiling van ‘de Zuiderkogge’ te Hem, waar de gebroeders Knol opvallende figuren waren. Vooral waar het neerkwam op het verstouwen van veel vocht. Als zeventiger stond Jaap nog elke zaterdag in Hoorn in een vishandel en als je dat zo hoorde ging de vis er als warme broodjes over de toonbank - met als toegift veel smakelijke verhalen. Jaap had ook in dit, ons Leek, in de kruidenierswinkel gestaan van Ma van Bertus, vroeg weduwe na het overlijden van Piet Leeuwrik. En als jongetje vergezelde hij zijn vader als hulpje-veedrijver, heel naar de markt te Purmerend. Soms moest hij op koude herfsttochten door het water van een sloot heen om een afgedwaalde koe weer op het rechte pad te brengen. Maar nooit sprak hij over het ongeluk met de zeilkano, even bezuiden Oosterleek op het IJsselmeer. Spraakzamer was hij over de avonturen langs de dijkgracht, waar hij altijd een fuikje placht te zetten. Maar hij had daar méér pijlen op de boog. Zo zat hij er tussen het riet eens een eend te plukken - Jaap liet al vertellend in het midden de wijze waarop hij het dier had bemachtigd - toen een politieman hem in het voorbij fietsen opmerkte: ‘wat moet dat, Kuiper?’. En Jaap, doodgemoedereerd: ‘Die heeft zich net uitgekleed - hij wil een baantje zwemmen ‘. Ver terugduikend in het verleden kwam nog wel eens het gesprek op Juut. Al heel lang wijlen Juut. Een legendarische nathals uit het dorp. Die was als zovelen uit vooral Wijdenes naar Amerika gegaan. Maar hij was het land uitgezet. Wel met een stapel dollars op zak. Hij woonde een tijdlang in het oude huis van Keetbaas en verschoonde de tafel door er eenvoudig een nieuwe krant op te leggen. Daar kon je lang mee doorgaan. De burgemeester hield deze dorstige vrijgezel echter in ‘t oog en toen de politie eens kwam kijken vonden ze nog een erfstuk in het donkere oude huis: een zeer oud geweer, waar verzamelaars hun lippen voor zouden aflikken. Dat werd uiteraard in beslag genomen maar verder gebeurde er niets.
Juut had nog een keer terug gewild naar Amerika. Tijdens de reis dronk hij zich veel moed in, maar verder dan de immigratieautoriteiten op Ellis-eiland kwam hij niet. Per kerende boot kwam hij terug, het reisgeld armer. Ze hadden hem, vertelde hij bij thuiskomst, als volleerde innemer in dat drooggelegde land niet willen hebben.
Zo rijden zich daar in de kleine woning in het vooreind van het Armenhuis van Oosterleek de uren aaneen. Jaap was de laatste bewoner voorin, Nu is het huis niet langer van de gemeente. De bewoner van de achterste woning heeft het pand gekocht. Het venster waardoor Jaap naar buiten keek - des winters hing hij aan de boom voor het raam een vetbol zodat hij de meesjes kon bewonde­ren - is verdwenen. maar verder is er niet veel veranderd. Aan de zijkant is het brandspuithuisje afgebroken. Jaap gebruikte het voor zijn bromfiets en zijn tuinbedoening. Tot de komst van de motorspuit, die de gehele toenmalig: gemeente Wijdenes. ‘bediende’ was het houten bijgebouwtje de plaats waar de handbrandspuit van Oosterleek stond. Een werktuig. eens gebruikt door de roemruchte vrijwillige brandweer van Rotterdam. Zo rond 191 8-1919 werd het huisje ontruimd. De spuit ging naar de dars van de gebroeders Dekker, vlak bij de kerk en het huisje kreeg tijdelijke bewoonsters: de weduwe Huybers en haar dochter. Naderhand vond de weduwe een woning in Hem en kon de brandspuit terugkeren.
De achterste woning van het Armenhuis wisselde nog al eens van huurder. Vaak was er een boerenarbeider met zijn gezin. die zich voor een jaar had verhuurd maar na enige tijd al weer het dorp verliet. Ze kwamen nog al eens uit Friesland en als schoolkinderen wisten we dat in zo’n gezin werd gesproken over heit en mem. Nog horen we de heldere stem van vrouw Fokkema schallend over de buurt: ‘Jansje. bessepap eten!’ En een ogenblik later hoorde je de klompen van Jansje over het klinkerstraatje.
Maar vòòr in het Armenhuis woonden de blijvers. Zoals Jaap Kuiper, die - helaas - zijn laatste levensjaar moest doorbrengen in ‘St. Nicolaas’ te Lutjehroek. Met hem verdween de laatste typische dorpsfiguur. Op 3 januari 1990 kwam het einde. Iemand die er vòòr hem woonde, heel lang, was Piet Adelaar, Hij heette eigenlijk Pieter Bakker. maar zo kende niemand hem. Naar zijn vaders voornaam stond hij zijn hele leven bekend als Piet Adelaar, kortheidshalve Piet Adel. Zijn vrouw heette Jantje. Tout court, Geen groter verschil denkbaar dan tussen Jaap Kuiper, de doenige ‘conversationalist’ met wat wij heden ten dage noemen verbluffende contactuele eigenschappen en de zwijgzame Piet AdeL van ,wiens horizon men zich geen al te ruime voorstelling moest maken. Hij was wat langzaam van tred. Als los arbeider was hij nooit en te nimmer eerste keus. Wel maakte hij met zijn ringbaardje de indruk van een soort waardige bezadigdheid. En: hij had een ambt. Hij was koster van de hervormde kerk. En dat wilde hij best weten.
Nu werd er maar eens in de veertien dagen gepreekt. maar toch, wanneer de schaarse groep kerkgangers het gebouw betrad stond hun koster in de gang naast de deur van de consistoriekamer en glimlachte. Tevoren had hij de klok geluid. Het viel de gemeente wel op dat dat luiden in de loop van de jaren steeds korter was gaan duren. Er was wel eens iets van gezegd, maar veel uitwerking had het op de koster niet. Kon men hem ongelijk geven wanneer hij verscholen achter zijn ringbaardje - peinsde dat kort of lang luiden geen verschil maakte in het aantal dergenen, die zo aanstonds onder het gehoor van de predikant zouden zitten?
In 1939 vierden Pieter en Jantje hun gouden bruiloft in het Armenhuis. Er kwam een berichtje over in de ‘Enkhuizer Courant’, waarin werd gesproken van een ‘algemeen geacht paar’,
Top